Return

Bruegel Revisited Hans Op de Beeck

Hilde Van Gelder en Mieke Bleyen | Bruegel Revisited, ISBN 978-90-5856-201-2

Hilde Van Gelder en Mieke Bleyen: Sinds de film All together now... (2005), die je in De Warande in Turnhout toonde, is er een nieuw motief opgedoken in je werk: dat van de tafel als site voor sociaal gedrag. De omgeving straalt sociale plicht en onderhuidsespanning uit veeleer dan de plek van ontmoeting en gezelligheid te zijn waar de tafel evengoed toe kan uitnodigen. Is die directe focus in je werk op de psychologische aspectenvan de omgang tussen mensen onderling een vrij recent gegeven?

Hans Op de Beeck: Aandacht voor de psychologische aspecten van de omgang tussen mensen onderling was al vroeg binnen de ontwikkeling van mijn oeuvre aanwezig, en één keer zelfs ook letterlijk met een ‘setting’ aan tafel. In de video Coffee (1999) waarin een oud echtpaar zwijgend koffie drinkt, tegenover elkaar gezeten in een wegrestaurant, zeggen de mimiek en de geladen stilte tussen beide protagonisten erg veel over hun relatie.
Ook een van mijn allereerste videofilms, een levensgroot, real-time videobeeld van een jong gezinnetje dat met veel haast eindeloos aan het lopen is, schetst, tussen de regels, de psychologische verhoudingen binnen het gefilmde gezin (Determination (4), 1998).
Op één uitzondering na (de vertelfilm My Brother's gardens ik in 2003 in New York realiseerde), zijn mijn videofilms niet narratief in de klassieke zin van het woord. Doorgaans toon ik een tot in de details vormgegeven decorum dat een bepaalde stemming evoceert en waarin een soort figurant-personages kleine handelingen verrichten. De verhalen zijn nooit letterlijk aanwezig maar wel leesbaar tussen de regels. Vaak zal je ook het gevoel krijgen dat ik scènes toon net voor of net na een vermoedelijke gebeurtenis. Ook in mijn grote ruimtelijke installaties is dat voelbaar. Die zijn soms tot 300 vierkante meter groot en tonen niet meer of minder dan een non-event, een schijnbaar lege en achtergelaten plek die zwanger is van mogelijke verhalen maar die deze niet meteen prijsgeeft.

Hilde Van Gelder en Mieke Bleyen: All together now... doet ons eveneens denken aan de interpretatie die Margaret A. Sullivan geeft van ‘de Boerenbruiloft (1566)’ van Pieter Bruegel. Zij leest het schilderij als een satire waarin Bruegel onderliggende sociale problemen ontmaskert: het Koppel leeft op te grote voet, er is een duidelijk leeftijdsverschil tussen bruid en bruidegom en het meisje is mogelijk zelfs in verwachting. Hoe belangrijk zijn dergelijke historische voorbeelden in het vormingsproces van je werk?

Hans Op de Beeck: Dat is een heel interessante vergelijking. mijn film glijdt de camera in slow-motion langsheen drie totaal verschillende tafelmomenten -gezelschappen: een koffie-en-taartmaaltijd na een begrafenis in een interieur dat veel heeft van een ongezellige parochiezaal, een kille verjaardagsmaaltijd van een vermogende pater familias een duur, minimalistisch betonnen interieur en tot slot een huwelijksdiner in een kitscherige omgeving. Net zoals in ‘Boerenbruiloft’ van Bruegel, stopte ik in alle scenes voldoende halfverdoken informatie die het beeld telkens complexer maakt. Bij het bruidskoppel dat ik in beeld breng, zie je bijvoorbeeld dat er nu al een haar in de boter zit: het koppel start wezenloos voor zich uit. Misschien is de bruidegom de avond te voren ontrouw geweest e heeft zij hem betrapt. Misschien werd het huwelijk ‘geregeld’ door anderen. Het is ook een parade van slechte smaak: aan alle details zie je dat de ouders van beide trouwers alles gedaan hebben om het feest een zekere nostalgische ‘glamour’ mee te geven, maar dat ze daar de sociale achtergrond noch het geld voor hebben. Het decor en de kleding zijn volledig in crème-, champagne-, klatergoud- en zilvertinten uitgewerkt. Dit is het naïeve beeld van hoe rijkdom er uitziet in oude soapreeksen op televisie, maar heeft niets te maken met echte rijkdom. De inspanningen van de ouders vind ik daarom zwel ontroerend, aandoenlijk als grappig: ik kijk er dus helemaal niet op neer.

Hilde Van Gelder en Mieke Bleyen: Jouw beelden nodigen uit om een reflectieve positie in te nemen tegenover de dagdagelijkse realiteit. Ook dit vinden we bij Bruegel terug, bijvoorbeeld in zijn Olympische perspectief op de werkelijkheid, de ‘blik van bovenaf’. Welke (kritische) houding neemt jouw werk aan ten opzichte van de maatschappelijke realiteit en hoe tracht jij die in beeld te brengen?

Hans Op de Beeck: Vaak wordt een oeuvre met een enigszins complexe, geladen stemming verkeerdelijk bekeken als een van een donkere levenshouding, een somberheid ten aanzien van het maatschappelijke . Als je gewoon nuchter van op een afstand kijkt naar de onbeholpen inspanningen de mens om zichzelf te vermaken of zichzelf in goede banen te leiden, krijgt het leven enorm betrekkelijks. Die betrekkelijkheid, die inwisselbaarheid van het kleine, stuntelige kan je makkelijk ten kwade duiden; in dat geval is het leven tragisch, een vreugdeloze rit naar de dood. Maar zo deterministisch en zwart kan ik niet over het leven denken, ik meen dat de mens niet bij machte is enige vorm van waarheid te kennen. Ik stel me kritisch en reflectief op, maar vind het leven een positieve noch negatieve . Metafilosofisch gesproken ervaar ik het leven als iets absurds: het raakt kant noch wal is daarom positief noch negatief te duiden. Het is zijn onbegrijpelijke zelf. Vanuit die visie je de verschrikkelijke schoonheid begrijpen van een diep tragische gebeurtenis of de fletse van iets zogenaamd zeer voornaams. Het zet de dingen voortdurend op losse . Eigenlijk zijn zowel de mensen als de ruimtes die ik in beeld breng of in scène zet een kritische zelfportretten omdat ik me altijd als ‘één van hen’ voel.


Hilde Van Gelder and Mieke Bleyen: Since the film All together now... (2005) which you have shown in the Warande in Turnhout, a new kind of motif has appeared in your work: the table as a site for social conduct. The environment radiates social obligation and subduedtension rather than the atmosphere of a cosy place where people meet, which could be justas good. Is this direct focus in your work on the psychological aspects of human interaction arather recent approach?

Hans Op de Beeck: Since the early developments of my oeuvre, the psychological aspects of human interaction have been given my attention, one time even literally with the ‘setting’ at a table. In the video Coffee (1999) you see an old couple sitting in front of each other in a transport cafe, sipping a cup of coffee without saying a word. The facial expressions and the tense atmosphere between those two protagonists tell us a great deal about their relationship. ¬ I am also thinking of one of my first video films, a life-sized, real-time video image of a young family endlessly running in a great hurry. Between the lines it sketches the psychological relationships of this family being filmed (Determination (4), 1998).

Except for one (the narrative film My Brother's gardens I realized in New York 2003), my video films do not tend to be narrative in the classical sense of the word. I usually show a decorum represented in detail, which sets a certain mood and where sort of walkon characters perform small acts. These stories are not literally there, but they can be read between the lines. You will often get the feeling that what I am showing you, are scenes taking place right before or after a probable event. This is also tangible in my big, spatial installations. They can be up to 300 square metres high and do not show more or less than a non-event, an apparently empty and abandoned place breeding possible stories it will not easily reveal.

Hilde Van Gelder and Mieke Bleyen: All together now... also reminds us of Margaret A. Sillivan's interpretation of 'the Peasant Wedding' (1566) of Pieter Breugel. She reads thepainting as a satire where Breugel exposes underlying social problems; the couple lives ina style which is too grand and there clearly is an age difference between the bride and thegroom, the girl might even be pregnant. How important are those historical examples in thedesign process of your work exactly?

Hans Op de Beeck: That is an interesting comparison. In my film, the camera glides in slow-motion passing three totally different table moments and companies: a coffee-and-cake dinner after a funeral in an interior that looks a lot like an uninviting parish room, a chill birthday meal of a wealthy pater familias in an expensive, minimalistic concrete interior and finally, a wedding dinner in a kitsch environment. Just like in Breugel’s Peasant Wedding, I also put sufficient, half disguised information in every scene, this way adding even more complexity to the image. ¬ The bridal couple I pictured, clearly shows that there is already something going on: the couple is staring vacantly. Maybe the groom has been unfaithful the night before or maybe she caught him in the act. Maybe the marriage has been ‘arranged’ by other people. It is also a parade of bad taste: all the details indicate that the parents of both the bride and the groom tried everything to give the party a certain nostalgic glamour, although both lack the social background and the money to do the job. The scenery and the clothing are completely elaborated in cream, champagne, Dutch gold and silver tints. This is a naive image of how wealth looks like in old soap series on television, but it has nothing to do with ‘true’ wealth. This is why I find the parents’ efforts very touching, moving and funny at the same time: I do not look down on them at all.

Hilde Van Gelder and Mieke Bleyen: Your images invite people to reflect on everyday reality. This we also find at Breugel, for example in his Olympian perspective on reality, the 'downward view’. Which (critical) attitude does your work adopt towards the social reality and how do you try to picture it?

Hans Op de Beeck: An expressive oeuvre with a complex, charged mood is often misjudged as an evidence of a dark attitude too, a gloominess towards social society. If you simply observe man’s clumsy efforts from a trying to entertain himself or to lead himself in the right direction, life gives a very impression. This relativeness, this exchangeability of the small, clumsy individual can be taken amiss; in that case life is tragic, a cheerless one way ticket to death. I could not of life in such a deterministic, dark way, because I believe man is not able to know any of truth. I take up a socially critical and reflective position, but consider life to be neither positive nor a negative condition. Metaphilosophically, I experience life as something absurd: makes no sense whatsoever and is therefore to be read neither positively nor negatively. It its incomprehensible self. From that point of view you can understand the terrible beauty a deeply tragic event or the dull inanity of something which is considered as very formal. constantly reverses things. Actually, the people and the places I picture or stage are in fact self portraits, because I always feel as if I were ‘one of them’.